- Vage en abstracte gedragsregels en een onzichtbaar en abstract schoolreglement;
- Onduidelijke en verwarrende beloningssystemen;
- Sensorische overlast door specifieke prikkels of door meerdere inputkanalen tegelijkertijd te prikkelen (bv. De leerling aanspreken terwijl je van rigide routines te voorkomen);
- Koosnaampjes en bijnamen (bv. ‘Wijsneus!’, ‘Onze verstrooide professor!’): de leerling weet vaak niet alleen wat daarmee bedoeld wordt maar weet soms ook niet of het over hemzelf gaat of over iemand anders, want er is niemand in de klas die écht zo heet;
- Vage, open vragen ( bv. ‘Waarom doe je dat?’): de leerling kent meestal het antwoord niet op dat soort vragen en heeft meestal niet door welke informatie je eigenlijk wilt;
- Opdrachten in vraagvorm (bv. ‘Kan je eens aan het bord komen?’): de kans is groot dat de leerling dit echt als vraag begrijpt en dus enkel ja of neen antwoordt;
- Duidelijk communiceren maar in een vorm of op een niveau dat van de leerling zeer veel energie vraagt of dat zijn petje te boven gaat (bv. Een leerling die pas kan lezen allerlei geschreven verhelderingen aanbieden);
- Voor sociale contactname het initiatief te veel bij de leerling met autisme leggen;
- Onduidelijkheid over het verwachte eindresultaat;
- Veronderstellen dat de leerling vanzelf tot efficiënte leerstrategieën komt;
- Slechte studieresultaten of prestaties onmiddellijk wijten aan ‘te weinig gestudeerd’’ of een gebrek aan motivatie (sommige leerlingen met autisme studeren net veel meer, maar missen de goede studiemethodes);
- Één leerstijl voor alle leerlingen;
- Veronderstellen dat een leerling met autisme studiemethodes spontaan en soepel zal toepassen.
- Zonder gericht onderzoek veronderstellen dat een leerling iets (aan)kan;