Stoornis in de communicatie

Kinderen met autisme beschikken vaak over een zeer grote woordenschat. Dat ze deze woordenschat hebben, geeft nog niet aan dat ze goed met anderen kunnen communiceren. Dit blijkt uit de feiten dat ze niet weten wanneer je iets wel of niet kan zeggen, ze kunnen geen hulp vragen wanneer dat nodig is, ze begrijpen vaak niet wat een ander bedoelt, ze weten niet goed hoe je een gesprek voert, ze praten steeds maar over hetzelfde en ze kunnen geen rekening houden met wat de gesprekspartner wel of niet weet.
Als je een bepaalt antwoord wilt weten van een kind met autisme, moet je hele specifieke vragen stellen. Autistische kinderen snappen niet dat er meer wordt verwacht dan alleen een ‘ja’ of alleen ‘nee‘.

Ben vroeg aan de stagejuf hoe ze heette. De juf zei: ‘Ik heet Elke, en jij?’ Ben antwoordde: ‘Ik niet!’ De juf vroeg niet expliciet naar zijn naam, dus dacht Ben dat ze vroeg of hij ook Elke heette.

Naast al deze voorbeelden hebben ze ook moeite met de betekenis van woorden en zinnen. Ze hebben vaak de neiging om de taal heel letterlijk op te vatten. Ze kunnen dus ook geen onderscheid maken tussen sarcastische en gemeende opmerkingen.