Stoornis in de verbeelding

Met stoornis in de verbeelding wordt bedoelt dat kinderen met autisme zich niet goed kunnen voorstellen wat er in andere mensen omgaat. Ze hebben er geen moeite mee om een beeld te maken bij magische of fantastische verhalen maar wel als het gaat om wat er in iemands geest afspeelt.
Kinderen met autisme hebben vaak een fotografisch geheugen. Ze leggen een link met een beeld en als erom gevraagd wordt zien ze altijd dit specifieke beeld voor zich. Het verbeeldingvermogen is dus erg concreet, zelfde geld voor de waarneming: de eigen fiets mentaal voorstellen (denk eens aan jouw fiets) zal voor de meeste normaal begaafde leerlingen met autisme wel lukken. Denken aan ‘een fiets’ is veel moeilijker: welke fiets?
Mensen met autisme kunnen zich moeilijk dingen voorstellen en veronderstellen. Als je ze vraagt om zich ergens in te beelden kunnen ze dat vaak niet.

Toen een leerkracht aan Else een vertelplaat over een verkeersongeval gaf en haar vroeg om te vertellen wat er gebeurd was, antwoordde ze: ‘Ik kan dat niet!’ Toen hij vroeg waarom, repliceerde Else: ‘Ik was daar niet bij!’

Ze kunnen vaak niet leren van hun eigen fouten omdat ze eerdere gebeurtenissen niet kunnen toepassen naar wat er nog moet gaan komen. Ook hebben ze vaak moeite met keuzes maken omdat ze niet kunnen bedenken wat voor gevolgen er zijn bij een keuze, ze kiezen dus meestal hetzelfde omdat ze dan weten van voorgaande keren wat het inhoud.